Vallen en opstaan
Als je aan een ijsbaan woont, zoals wij, dan ben je het aan je stand verplicht dat je je voor je familie beschikbaar stelt als uitvalsbasis, koek- en zopietent en allerlei andere ondersteunende diensten.
Een van die diensten was het aanschaffen van een paar schaatsen voor Kevin. Dat deden we vorig jaar al maar de schaatsen waren nog niet gekocht of de dooi knalde er in. Niet geschaatst. Nou ja, hij was ook nog wel heel jong. De vrolijk gekleurde doos ging onder z’n bed hier op de logeerkamer.
Toen zijn moeder een paar weken geleden voor het eerst tegen hem zei dat ze maar eens op zoek moest naar schaatsen zei Kevin: ‘hoeft niet hoor mama, ik heb al schaatsen’. Mama keek verbaasd. ‘Waar heb jij dan schaatsen?’ Kevin deed z’n handen dramatisch in de lucht en verzuchtte ‘onder mijn bed toch? bij ome Peter en tante Roely?’ Dat mama’s dat niet snappen zeg. Belachelijk.
Vandaag haalden zus en zwager hun kleinkind op en samen met oma Vijver (mijn moeder) kwamen ze hier eerst lunchen. Gezellig met z’n zessen aan tafel. Broodjes ‘gezond’ want er ging geschaatst worden.
Daarna kon het eindelijk gebeuren. Kevin was, terwijl we naar de ijsbaan liepen, hartstikke resoluut. ‘Ik kan echt wel al schaatsen hoor tante Roely’. Ik glimlachte en dacht ‘dat wachten we wel even af’. De dubbele ijzers gingen onder en ook ome Peter en opa Chris bonden hun schaatsen onder. En daar ging hij. Tussen opa Chris en mij in. Roetsssssjjjj…..
Ik zag de schrik even in z’n ogen. Dat was… glad. En z’n ene been ging steeds de ene kant op en z’n andere been de andere. Hij keek me aan met een verschrikte blik. ‘Oh… dat is glad….’ We deden het dus heel voorzichtig aan, moedigden aan, ‘rechtop staan, ja goed zo, benen bij elkaar houden, je kunt het, heel goed’.
Misschien waren we iets te enthousiast want na slechts vijftig meter zei Kevin: ‘laat maar los hoor, ik kan het wel…’
‘Nee Kevin, dat gaat niet kerel, echt niet…’
‘Laat nou lohoooos!’
Stampvoeten ging wat moeilijk, want z’n benen deden zo raar, maar de peuterpubertijd was mee op het ijs.
‘Nee, dat gaat echt niet kerel.’
‘Laat! Me! Los!’
‘Okee, zelf weten dan,’ zei ik en we lieten los.
Hij redde het welgeteld twee meter en toen, klabam!, daar lag hij. Eerst een blik van opperste verbazing en toen brullen. Hard brullen.
Ik pakte hem op, klopte hem af en legde uit dat dat hoort bij schaatsen. Vallen en opstaan. En dan weer. En nog een keer.
‘Kijk maar,’ zei ik, ‘je bent niet de enige die onderuit gaat’.
En toen zag hij het. Dat het best moeilijk is. En dat niet iedereen even hard gaat. En dat er best wel veel mensen vielen.
‘Even uitrusten hoor,’ zei hij na nog eens twintig meter. En daar zat hij, in de sneeuwrand. Dik te genieten van winterpret. Even later krabbelde hij weer voort, achter een leuk rekje inmiddels, en het ging steeds beter.
Als de winter aanhoudt gaan we vast nog wel een keer. En dan valt hij weer. Want dat hoort bij het leven. Vallen en opstaan.









