Vallen en opstaan

dondersteen | Dagelijkse dingen | zaterdag, 4 februari, 2012

  Als je aan een ijsbaan woont, zoals wij, dan ben je het aan je stand verplicht dat je je voor je familie beschikbaar stelt als uitvalsbasis, koek- en zopietent en allerlei andere ondersteunende diensten.

Een van die diensten was het aanschaffen van een paar schaatsen voor Kevin. Dat deden we vorig jaar al maar de schaatsen waren nog niet gekocht of de dooi knalde er in. Niet geschaatst. Nou ja, hij was ook nog wel heel jong. De vrolijk gekleurde doos ging onder z’n bed hier op de logeerkamer.

Toen zijn moeder een paar weken geleden voor het eerst tegen hem zei dat ze maar eens op zoek moest naar schaatsen zei Kevin: ‘hoeft niet hoor mama, ik heb al schaatsen’. Mama keek verbaasd. ‘Waar heb jij dan schaatsen?’ Kevin deed z’n handen dramatisch in de lucht en verzuchtte ‘onder mijn bed toch? bij ome Peter en tante Roely?’ Dat mama’s dat niet snappen zeg. Belachelijk.

Vandaag haalden zus en zwager hun kleinkind op en samen met oma Vijver (mijn moeder) kwamen ze hier eerst lunchen. Gezellig met z’n zessen aan tafel. Broodjes ‘gezond’ want er ging geschaatst worden.

Daarna kon het eindelijk gebeuren. Kevin was, terwijl we naar de ijsbaan liepen, hartstikke resoluut. ‘Ik kan echt wel al schaatsen hoor tante Roely’. Ik glimlachte en dacht ‘dat wachten we wel even af’. De dubbele ijzers gingen onder en ook ome Peter en opa Chris bonden hun schaatsen onder. En daar ging hij. Tussen opa Chris en mij in. Roetsssssjjjj…..

Ik zag de schrik even in z’n ogen. Dat was… glad. En z’n ene been ging steeds de ene kant op en z’n andere been de andere. Hij keek me aan met een verschrikte blik. ‘Oh… dat is glad….’ We deden het dus heel voorzichtig aan, moedigden aan, ‘rechtop staan, ja goed zo, benen bij elkaar houden, je kunt het, heel goed’.

Misschien waren we iets te enthousiast want na slechts vijftig meter zei Kevin: ‘laat maar los hoor, ik kan het wel…’
‘Nee Kevin, dat gaat niet kerel, echt niet…’
‘Laat nou lohoooos!’
Stampvoeten ging wat moeilijk, want z’n benen deden zo raar, maar de peuterpubertijd was mee op het ijs.
‘Nee, dat gaat echt niet kerel.’
‘Laat! Me! Los!’

‘Okee, zelf weten dan,’ zei ik en we lieten los.
Hij redde het welgeteld twee meter en toen, klabam!, daar lag hij. Eerst een blik van opperste verbazing en toen brullen. Hard brullen.
Ik pakte hem op, klopte hem af en legde uit dat dat hoort bij schaatsen. Vallen en opstaan. En dan weer. En nog een keer.
‘Kijk maar,’ zei ik, ‘je bent niet de enige die onderuit gaat’.
En toen zag hij het. Dat het best moeilijk is. En dat niet iedereen even hard gaat. En dat er best wel veel mensen vielen.

‘Even uitrusten hoor,’ zei hij na nog eens twintig meter. En daar zat hij, in de sneeuwrand. Dik te genieten van winterpret. Even later krabbelde hij weer voort, achter een leuk rekje inmiddels, en het ging steeds beter.

Als de winter aanhoudt gaan we vast nog wel een keer. En dan valt hij weer. Want dat hoort bij het leven. Vallen en opstaan.

Eliminatie

dondersteen | Dagelijkse dingen | vrijdag, 3 februari, 2012

   Onze kater Noes is al een jaar aan het sukkelen met z’n gezondheid. Plekken in z’n nek, plekken op z’n kop, plekken in z’n vacht. Er verschijnt een plek, er verdwijnt een plek. Na de behandeling van vorig jaar kwam hij niet meer van de pillen af. Pillen stoppen was plekken maken. En dat wilden we niet.

In de zomermaanden ging het redelijk goed. Af en toe een klein plekje maar daar was mee te leven. Een maand of twee geleden begon het gedonder weer. Een klein plekje op z’n kop werd een grotere plek op z’n kop werd een hele grote plek op z’n kop werd: kap er op. Wekenlang liep de arme oude man weer met een kap om. En ook al weet ik dat het beter voor de genezing is, ik vind het zielig. Heel erg zielig. Want een kat is een schoon dier en met een kap om kan hij zichzelf niet wassen.

Met moeite kregen we de plek onder controle. De kap kon bijna af. En toen: plek op z’n poot. Plek op z’n andere poot. Hele, hele diepe zucht van pure wanhoop. Die kap zou nog wekenlang om moeten blijven voor ook dat genezen was. En dus maar weer naar de dierenarts ermee. Ze zijn dol op Noes. Andersom is dat iets minder het geval maar hij ondergaat er altijd alles met een blik van ‘ik ben een stoere kater, mij krijgen jullie echt niet in de stress’.

Er werd bloed afgenomen en onderzocht. Niets te vinden.

‘Dan moet het wel allergie zijn,’ verzuchtte de dierenarts. ‘Dat kan eigenlijk helemaal niet, een kat op deze leeftijd ontwikkelt normaal gesproken geen allergie en hij krijgt immers al dat speciale Sensitivity-voer maar toch, het kan haast niet anders…’
Ze adviseerde dat we over konden stappen op hypo-allergeen voer..
‘Of…’ zei ze en ze keek me ernstig aan, ‘vers vlees. Dat zou echt het allerbeste zijn, vers vlees. En dan het liefst vers vlees waar geen enkele toevoeging in zit. ‘
Ze schreef op een memobriefje: ‘Carnibest, eend-mix’.
‘Dat moet je maar eens even opzoeken, het is wel een gedoe maar misschien helpt het.’
Ik vroeg wat het ‘gedoe’ dan was.
‘Mensen vinden het lastig, je moet nogal wat ruimte in je vriezer hebben en mensen vinden het stinken. Maar het is wel het beste eliminatievoer dat er is’.
Ik begon te lachen en zei: ‘Als Noes geëlimineerd moet worden zijn er gemakkelijker manieren hoor. Volgens mij heb jij daar spuitjes voor.’
Hahahaha. Nee. Natuurlijk niet! De kat werd niet geëlimineerd, de vreemde stoffen in z’n lijf wel. Want eendmix is eend en verder niets.

U snapt denk ik wel dat wij, na zoveel maanden gedoe, niet eerst nog eens de hypo-allergene voeding gingen testen hè? Wij gingen in èèn streep door naar de eend. Zonder sinaasappelsaus.

We moesten het heel langzaam invoeren want Noes z’n systeem was al die vreemde stoffen wel gewend maar dat waar zijn lichaam eigenlijk op gebouwd is niet. Wat best raar is maar zo zit onze wereld nu eenmaal in elkaar. We deden dus een heel klein beetje eend op mijn vinger en presenteerden het met: ‘Kijk eens, Noes, eend, wat lèkker!’ In zo’n stom hoog stemmetje. Alsof die kat daar blijer van wordt.

Hij snuffelde, stak z’n tong uit en proefde.
Zijn kop ging omhoog. Zijn ogen een beetje dicht. Hij dacht na. Ik zweer het je, hij dacht er over na.
Nog een piepklein beetje. Alsof hij een criticus van het Dagblad was in een driesterrenrestaurant. Maar die sterren, nou, daar waren we nog niet over uit hoor.
Nog een hapje. Eten met lange tanden en weer nadenken. Vreemd was het. Vreemd voer.
Af en toe kwam z’n tong even naar buiten en gingen z’n ogen half dicht. Echt proeven was het. En in dat proeven zat, heel ver op de achtergrond, herkenning in z’n systeem. Eend. Jeetje, zijn dat niet die beesten die hierachter altijd op het water dobberen? En.. die hoef ik dan helemaal niet zelf te vangen en te plukken? Jeetje. Fijn baas. Heel fijn.

De dagen daarna bouwden we langzaam af met zijn brokken en kwam er steeds meer eend op het menu.
De criticus wilde dolgraag elimineren, dat bleek. Want na een paar dagen ga ik struikelend van keuken naar hal om het voer te brengen. Er loopt alsmaar een kat voor mijn voeten heen-en-weer te rennen en te mekkeren. ‘Oh eend! Echt? Alweer eend! Yummie!’

De kap is inmiddels af. De plekken zijn aan het genezen. De pillen mogen we af gaan bouwen als de plekken echt helemaal weg zijn. Zijn vacht begint voorzichtig weer te glanzen en ik zag hem vanochtend rennen in de tuin. Rennen! Dat hebben we echt een jaar niet gezien. Maar dat zou ook kunnen komen omdat het sneeuwde en Noes wel houdt van eend maar niet van kou.

Afscheid

dondersteen | Dagelijkse dingen | dinsdag, 31 januari, 2012

  Ik zucht diep en begin er dan toch maar aan. De doos gaat op tafel en ik begin er dingen uit te pakken. Een map, fotolijstjes, een bakje met allerlei losse clipjes. Een hele stapel ansichtkaartjes. Ik bekijk ze een voor een. Ach ja, Karin… en Jocelijn… en al die vakanties! Zeeland, Australië, Zuid Frankrijk, de alpen, alles komt voorbij. Herinneringen op een stapeltje met een elastiekje erom.

Een aantal dingen gooi ik weg. Het plastic wekkertje dat ik voor een paar gulden kocht bijvoorbeeld en waar het klepje van was afgebroken. Batterij er uit en in de prullenbak ermee. Sommige kaartjes gooi ik ook weg nadat ik ze gelezen heb, andere hou ik nog even. De blauwe map leg ik even apart, daar moet ik later deze week maar eens door.

Mijn werk is niet meer. Het hield vandaag officieel op. Na een hele, héle nare periode is er een punt achter gezet. Het heeft lange tijd heel naar gevoeld maar vanmiddag, toen ik de deur achter me dichttrok met die doos onder mijn arm voelde het wel goed eigenlijk. Punt. Een hele dikke vette punt én, voor de zekerheid, ook een dikke streep eronder.

Omdat ik de afgelopen weken niet in staat was om te werken en de boel zelf af te hechten kwam het ontmantelen van ons kantoor terecht op de schouders van Collega Yvonne. De collega die een hoofdletter C verdient. Aan haar heeft het zéker niet gelegen want wat hadden we een lol. Over twee dagen gaat ze beginnen in een andere baan. Daar ben ik blij om. Ook mijn andere twee collega’s gaan weg en daarmee is ons team, waar ik tien jaar lang werkte, helemaal verdwenen. Soms gaan dingen zo in het leven. De ene deur gaat dicht, een andere gaat open. Dat geloof ik echt. Nu wel. Een paar weken geleden lag dat nog ietsjes anders moet ik zeggen…

Ik ga door met het uitruimen van de doos. Een leeg fotolijstje dat ik niet herken, een calculator, een pot met pepermunten. Onderin de doos voel ik iets glads. Ik glimlach al voor ik echt kan zien wat het is. Als ik met de reep in mijn handen sta wordt de grijns nog groter.

Ik zal het werk niet missen, er komt wel weer een baan op mijn pad, maar sommige collega’s…

Langzaam

dondersteen | Dagelijkse dingen | zondag, 29 januari, 2012

  Er is, volgens sommigen, maar een manier om de wereld goed te bekijken en dat is lopend. Omdat dat onze oorspronkelijke snelheid is.  Voor een Pieterpad-etappe was het ons vandaag te koud. Je bent al gauw vier uur onderweg voor een etappe en even lekker uitrusten op een bankje zo hier en daar is er met deze kou niet bij. Zestien kilometer aan een stuk doorlopen leek ons ook niet wijs dus dat gaat even op de plank tot wat warmere dagen.

‘Zullen we dan met de bus naar Vries en dan lopend terug?’ vroeg ik.
Dat vond mijn wederhelft een prima plan en aldus geschiedde.

Het eerste gedeelte ging over het oude kerkpad van Zeijen naar Vries. We liepen langs mooie oude laantjes. In het begin kwamen we nog wat hondenbezitters tegen maar des te verder wij van Vries kwamen des te stiller het werd. In de verte hoorden we vogels fluiten. Zij hebben kennelijk nog niet helemaal door dat er een beste vorstperiode aan komt.

In de velden bij Zeijen zagen we hem opeens vliegen.
‘Een zwaan,’ was de eerste gedachte.
‘Nee, dat kan geen zwaan zijn, kijk maar eens naar de poten.’
‘Maar hij is wel helemaal wit.’
‘Vreemd.’

Het beest was zo aardig om te landen. Ik zoomde maximaal in en klikkerdeklikte.
‘Het moet een reiger zijn,’ zei ik toen ik hem op de camera terugkeek. Maar een witte reiger? Hier?’
Wij hadden er in ieder geval nog nooit eentje gezien.

 
Het was te koud om lang stil te staan maar Peter merkte terecht op: ‘In de auto hadden we hem nooit gezien.’
Er zit dus kennelijk toch wel iets in die stelling dat lopen de juiste snelheid is.

Over de es van Zeijen gingen we vervolgens richting Rhee. Een gehucht van een paar huizen waarvan een een wel heel toepasselijke naam heeft.

Een zeiler leerde me ooit dat je, voor je met je boot overstag gaat, moet roepen: ‘Klaar om te wenden?…… ‘Rhee!’……. ‘Overstag!’

De prachtig Picardhoeve was het laatste stukje ‘wandelen in het veld’, we zagen Assen al liggen.

Even later liepen we onder de A28 door en was het gedaan met de rust. Aan de linkerkant kwam opeens de grote M in ‘t zicht. We waren moe. We hadden zin in koffie. En ook al waren we dicht bij huis, even later zaten we aan een cappucino en een kipburger. Wat er aan komt moet er ook weer af, zeggen ze. Maar in dit geval was het even andersom. ;-)

 

route:

Onthechten

dondersteen | Dagelijkse dingen | maandag, 23 januari, 2012

  ‘Zie je er tegenop?’ vroeg ik.
Ze knikte. ‘Een beetje wel ja…’
‘Nou,’ zei ik, ‘mijn moeder zei vroeger altijd tegen mij als ik ergens tegenop zag, dat het dan achteraf meestal meeviel.’
‘Hielp dat?’ vroeg ze.
‘Niet echt,’ zei ik, ‘maar ik dacht, ik zeg het toch maar even.’

Even later zaten we bij de assistente van de huisarts in de behandelkamer.
‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg ze.
Mijn moeder stak haar hand vooruit.
‘Oei,’ zei de assistente, ‘dat ziet er wel heftig uit.’
‘En nu moeten die hechtingen er weer uit ook,’ zei mijn moeder een beetje pips.

Vorige week was ze gevallen. Zomaar. Zoals wij dat kunnen. Dat is een genetisch iets, dat vallen. Al is er maar een randje van een halve centimeter dat boven het trottoir uitsteekt, nou reken maar dat wij hem dan weten te vinden. Wij struikelen, vallen, blijven soms nét staan, lopen tegen tafels aan en botsen op stoelleuningen. Laat dat maar aan ons over, wij zijn daar goed in.

Mijn moeder viel en kwam dit keer naar terecht op haar hand. Ze heeft van dat hele dunne oude vel en dat scheurde zo van haar pink af. Ze belde mijn zus. ‘Ik denk dat je even met me naar het ziekenhuis moet’, en dat was ook zo. In het ziekenhuis naaiden ze de boel zo goed mogelijk aan elkaar met wel 6 hechtingen en allerlei plakspul. Wat best een prestatie is in een pink vind ik, zes hechtingen. En vandaag moesten ze er weer uit…

De assistente pakte het hechtsetje en begon.
‘Zal ik je hand vasthouden?’ vroeg ik. Want vroeger, toen ik jong was, deed ze dat. ‘Knijp maar in mijn hand,’ zei ze dan, ‘dan delen we de pijn’.
En dus pakte ze mijn hand. En kneep. Heel zachtjes. En daarna liet ze ook weer los. Want mijn moeder is ook wel een beetje een bikkel.

 

Volgende »